Eeuwige liefde bestaat niet. Ik weet het nu wel zeker. Er komen barsten in een liefdesrelatie die naar schatting al meer dan 40 jaar duurt, en die – zo dacht ik toch – onwankelbaar was. Ik kijk nog wel naar de Tour, maar minder, veel minder dan vroeger. Wellicht nog uit nostalgische gewoonte. Of is het in de ijdele hoop dat de vonk weer zal overslaan? Ik vrees dat het niet meer goed komt. Geen relatietherapeut die er nog iets kan aan veranderen. Weg is mijn onbevangenheid, weg is ook deTourheroïek, overruled door een dagdagelijkse waas van dopingvermoedens, van beschuldigingen en – hoe kan het anders - ontkenningen. Supporteren wordt moeilijk, onmogelijk haast. Voor wie? Voor wat? Er zijn geen helden, geen patrons meer. Het knaagt, diep in mijn binnenste. Het begin van een degout. Vrees ik.
Maar er is licht aan het einde van de tunnel. Morgen gooi ik mijn fiets in de koffer van mijn auto, samen met een stel boeken. Ik maak eerst nog een ommetje langs Ottignies. Sven Nys rijdt er, tegen Meirhaeghe en co, voor de Belgische titel mountainbike. Sven’s finish is mijn start voor een weekje tabula rasa. Weg weblog, weg trainingsschema’s, weg email. Ik rijd dan door naar de lavendelstreek, naar de legendarische bult van de Provence. Om er, zonder uurwerk, te lanterfanten in de zon, met mijn vrouw rond te struinen op de pittoreske markpleintjes. Om er af en toe zelf de held uit te hangen tegen de flanken van de Kale. Veel trager en moeizamer dan de echten. Maar wel onbevangen. En zuiver.
Enkele dagen geleden nog, toen Linus Gerdemann zich net in het geel had gefietst, stuurde ik sportbestuurder Valerio Piva een GSM-berichtje met felicitaties en de belofte om onmiddellijk na de Tour contact op te nemen om bij te praten. Ik hoorde hem op de vraag of T-Mobile eraan dacht om die trui te verdedigen, zeggen: “Dat is voor morgen. Laat ons vandaag genieten.”Vermoedde hij toen al onraad? Of was het gewoon realiteitszin? Feit is dat zijn ploeg, na die dag, alleen maar klappen gekregen heeft. Gerdemann verloor de gele trui, kopman Rogers viel letterlijk uit, Patrik Sinkewitz brak naast zijn kaakbeen het laatste greintje Duits vertrouwen in een cleane wielersport. De genadeslag voor het Duitse wielrennen lijkt daarmee gegeven te zijn. Of is het de definitieve stap in de goede richting, de prikkel die nodig was om de laatste slapers wakker te schudden?
In augustus 2006 schreef ik in “Achter de Schermen” dat de oplossing voor het dopinggebruik was komen aanwaaien uit Duitsland. Toen al dreigden de grote Duitse TV-zenders met de afbouw van de rechtstreekse wieleruitzendingen. Enkele weken geleden herhaalden ze hun dreigement. Deze week, na het zoveelste dopinggeval in Duitsland, lieten ze zien dat het hun menens was. Ondanks het protest van organisatoren en een aantal ploegleiders pakten ze hun boeltje bij elkaar en lieten de Tour voor wat hij is: brood en spelen voor het volk. Als nu alle andere zenders – voor even dan toch – eens hetzelfde gaan doen, of er tenminste al eens mee dreigen,dan is de zaak zo geklaard. De renners gaan dan misschien eindelijk inzien welke verpletterende verantwoordelijkheid ze meezeulen, tegenover hun sponsors, tegenover de organisatoren, tegenover de toeschouwers. Vooral tegenover elkaar, tegenover hen die het goed menen, die het op een "andere" manier willen doen. Clean. Gebruik van doping staat zo stilaan gelijk met broodroof. Hopelijk is het niet te laat. Ik hoor net dat T-Mobile overweegt om uit het peloton te stappen, en dat ook Milram en Gerolsteiner hun sponsoringspolitiek willen herbekijken. Al dan niet onder druk van de Duitse politici. Het kan toch niet anders of het begint eindelijk te dagen bij Patrik Sinkewitz en co. Of is dat nog steeds een illusie?
Tussen beide foto’s liggen ongeveer zes jaren. Of zijn het zes eeuwen? In 2001 knokten Marc Herremans en Luc Van Lierde zij aan zij op de zeedijk van Knokke voor de overwinning, al wat naam had in het Belgische triatlon zeer ver achter zich latend. Zij maakten toen de dienst uit, en dat zou zo nog enkele jaren duren. Dacht ik. Dachten zij. In 2007 trainen ze, opnieuw zij aan zij,nu niet meer tegen, maar met elkaar. De ene voert een verbeten, nooit aflatende strijd tegen het onverbiddellijke noodlot, de andere knokt voor de ultieme rehabilitatie in de nadagen van zijn hoe dan ook schitterende sportcarrière. Marc wil eind oktober stunten in Australië, door met zijn handbike de waanzinnig zware Crocodile Trophy tot een goed einde te brengen. Tien dagen door de wildernis, in extreme hitte en over de onverharde wegen, daar in Down Under. Soms tot 160 kilometer per dag.
Luc wil de verloren jaren uitwissen. Hij zal het in één dag moeten klaren, op de Big Island. De lat ligt voor beiden bijzonder hoog. Ik hoop dat ze blijft liggen. ’t Zijn geen gemakkelijke atleten om mee te werken. Ze zijn moeilijk coachable, energie-slorpend en tijdrovend. Maar ondanks alles is het geweldig om zo’n toppers onder mijn hoede te hebben.
Ze stonden er weer, als van oudsher, met duizenden en duizenden op de flanken van de Galibier. Gretige getuigen van een – laat ons eerlijk zijn – op eerste gezicht lichtjes getemperde heroïek. Roepend en schreeuwend alsof de hoofdrolspelers in de recente dopingverhalen nooit hebben bestaan, of hooguit schimmige figuurtjes zijn uit een nu al ver, verdrongen verleden.
De verschillen tussen de renners blijven relatief beperkt, miniem zelfs in vergelijking met de gloriedagen van Lance Armstrong die orde op zaken zette vanaf de eerste serieuze bergetappe. Iets voor halfweg blijven er nog meer dan 10 potentiële winnaars, verzameld op een zakdoek van enkele minuten in het kwadraat.Ondanks twee rustdagen en enkele snipperdagritten is en blijft deze Ronde nog maar eens te zwaar, gesneden ver boven de zuivere mensenmaat. Na de raid over Col de L’Iseran en de Col du Galibier volgen drie “overgangsritten”, samen goed voor 590 kilometer. Een opwarmer voor een individuele tijdrit over 54 kilometer, op zijn beurt voorbode voor twee bijzonder zware Pyreneeënritten. Geloof me, hier is geen normaal herstel meer mogelijk. De renners, balancerend tussen complete uitputting en overeind blijven, worden haast gepusht in hun zoektocht naar herstelbevorderende middelen, laverend ook in de grijze zone, tussen het toelaatbare en het niet toelaatbare. De UCI moet de wielersport dringend menselijker maken, meer energie steken in preventie, minder in repressie. Ik pleit voor een rustdag om de drie dagen. Zes rustdagen in plaats van twee in de Tour. Anders blijft het dweilen met de dopingkraan open. Ondanks alle goede voornemens, ondanks alle verhalen dat het beter gaat. Net zoals jaren geleden, na de Festina-Tour.
Ik lig een beetje onder vuur. Een heel klein beetje dan toch. Vooral mijn blog van 20 april “Over ezels en koerspaarden” blijkt nog steeds hier en daar kwaad bloed te zetten, vóór en achter de schermen.
Mocht het niet duidelijk zijn: ik schrijf mijn weblog ten persoonlijken titel, in mijn vrije tijd, los van de school waar ik les geef, los van To Walk Again, los van het Topsport ABC, los van sport.be, los van OctagonCis, los van wat en wie dan ook.
Vanuit die onafhankelijkheid ga ik – gefundeeerd, dat wel - mijn gedacht blijven formuleren. Ook over voetbal, zelfs al is mijn visie – net zoals ook wel in andere sporten trouwens - over de gang van zaken niet altijd even positief. Alleen jammer voor wie daar anders mocht over denken.
Daarstraks kreeg ik volgend emailbericht van Luc Van Lierde:
‘Vandaag heb ik dus mijn 120 km gedaan. De rit was echter minder goed begonnen. Ik ben om 8u30 vertrokken en na 15 min begon het te regenen en ik kreeg een echte storm (bliksem en donder) over mijn hoofd. Het was ook niet te warm (15 graden) en dus kreeg ik het koud. Ik heb sinds mei niet meer met mijn tijdritfiets gereden en ik voelde me met een nieuw stuur, een nieuw zadel en een 175 trapas niet goed. Ik had geen macht in mijn benen en daarom begon ik te sleutelen aan mijn fiets. Mijn stuur brak omdat ik teveel kracht zette op één van de moeren, ook brak er een kabel van mijn voorrem. Dan maar richting fietsenmaker en daar deed ik alles eraf. Ik greep terug naar mijn oud zadel en een 172,5 trapas. De fietsmaker verving de moeren aan mijn stuur. Ik had op dat ogenblik al 50 km gedaan met een gemiddeld tempo van nog geen 30 km/u. Na de herstelling voelde ik me onmiddellijk beter en ik heb nog 70 km gereden. De zon kwam er door en de training verliep verder prima. Ik heb 120 km gereden met een gemiddelde snelheid van 33,1 km/u. Mijn gemiddelde hartslag was maar 107, met pieken (wind tegen) tot 139. Ik was helemaal niet moe en ik voelde me goed.’
Sinds ik met Luc werk heeft hij bij benadering 85 keer gesleuteld aan zijn fietspositie, is hij aan zijn twaalfde stuur en zijn negende zadel toe, en heeft hij zowat elk cranckstel geprobeerd dat in België en directe omgeving te vinden is. En ja, “nu is alles perfect, en zo blijft alles staan”. Tot morgen, of tot overmorgen, denk ik dan.
Luc, de eeuwige twijfelaar, of moet ik zeggen: de eeuwige perfectionist? Inmiddels weet ik dat dit bij Luc hoort, dat ik als de coach daarmee zal moeten leren leven. Dat ‘ermee leren leven’ wordt trouwens heel wat gemakkelijker gemaakt als ik zijn bericht verder analyseer. Een gemiddelde snelheid van 33.1 over 120 km, terwijl tijdens de eerste 50 km zijn gemiddelde snelheid nog onder de 30 km/u lag. Hij moet, ondanks een lage gemiddelde hartslag,tijdens de laatste 70 km verduiveld snel gefietst hebben. Zijn kruissnelheid moet voortdurend tussen de 36 en de 40 km/u gelegen hebben. Zonder zich nota bene vermoeid te voelen tijdens de rit, of nadien. Luc, het grote talent.
In de wetenschap dat Luc momenteel terug zwemt zoals in zijn beste dagen, sterkt dit bericht me echt wel in mijn vermoeden dat hij, mocht hij vandaag hebben kunnen deelnemen aan het wereldkampioenschap over de lange afstand in Frankrijk, wel eens heel dicht bij de wereldtitel zou kunnen gekomen zijn, dat het vandaag wel eens de dag van zijn definitieve wederopstanding had kunnen worden. Ik ben er zeker van die dag er nog komt. Ik weet even goed dat er vooraf nog (heel wat) obstakels zullen moeten overwonnen worden. Maar dat zal de voldoening nadien alleen maar groter maken.
Er woedt een controverse rond Zuid-Afrikaanse atleet Oscar Pistorius, de snelste 400 meter loper zonder benen ter wereld. Op twee beenprothesen lukte het hem al eens één ronde vol te maken in 46 sec, gisteren liet hij in Rome 46.9 sec optekenen. Op dit ogenblik zijn weinig (valide) Belgische toppers in staat om veel beter te doen dan Oscars’ toptijd. Ondanks overheidssteun en het volledige gebruik van lijf en leden. Of de prothesen enig voordeel zouden opleveren doet hier niet echt ter zake. Evenmin als het feit of hij al dan niet ooit nog een halve seconden sneller zal kunnen lopen. Waar het bij mij echt om gaat is de onwaarschijnlijke weg die Pistorius afgelegd, van het moment dat zijn ouders beslisten dat mocht worden overgegaan tot amputatie van de onderbenen van hun elf maanden oude zoon tot het moment dat hij zich aanbood in de plaatselijke atletiekclub om zich te meten met zijn valide leeftijdsgenoten. Waar het om gaat is zijn strijd om aanvaarding in en door de valide wereld, om dat onverzettelijke doorzettingsvermogen dat ik onder andere ook nog merk bij Marc Herremans en mis bij te veel andere sporters. Ik hoop dat de (inter)nationale sportpers aandacht zal blijven geven aan atleten als Oscar Pistorius, niet als een curiosum, maar als een volwaardige atleet die een voorbeeld is voor de vele would be vedetten die nog niet aan de (kunst)enkels komen van Oscar, Marc en co.
Enkele dagen geleden kreeg ik via telefoon een bijzonder vreemde vraag. “Of ik interesse had om een bobsleeteam te coachen richting Olympische Spelen in Vancouver?” Qué??? Ik dacht dat ik niet goed gehoord had. Een snelle blik naar buiten leerde me dat het dag was, én zomer. Geen besneeuwde bergtoppen te bespeuren, ook niet als ik op de tippen van mijn tenen ging staan of achter de hoek om keek.Ik droomde niet. De man in kwestie bleek bovendien niet gedronken te hebben en evenmin zat hij aan de drugs. Ondertussen heb ik al enkele verkennende gesprekken achter de rug en het is duidelijk dat hij het meent. Zijn planning is goed uitgeschreven, er zijn al contacten geweest met specifieke trainingscentra in Duitsland en Oostenrijk, er is zowaar een mondeling akkoord met een Duitse toptrainer en de gesprekken met potentiële sponsors zijn volop aan de gang. Hoewel er nog heel wat hindernissen moeten genomen worden vooraleer de definitieve go te kunnen geven lijkt het me zeker een ernstig project dat een kans op slagen heeft.
’t Is vreemd. Net toen ik mijn eigen Olympische dromen met Sven Nys en Peter Croes om verschillende redenen opgeborgen had gebeurt dit. Ik wacht nu even af. De beslissing zal vlug (moeten) vallen. Vancouver is niet ver meer af.
Ik heb gisteravond nog Mario Aerts aan de lijn gehad. Hij voelt zich goed, dank u. Zijn persoonlijke ambities in “La Grande Boucle” zijn beperkt. Noodgedwongen, in opdracht van de teamleiding dus.Het wordt een Ronde in dienst van, vooral dan van Cadell Evans. Hoewel. Zondag was hij ook één van de locomotieven die, misschien tegen beter weten in, meter voor meter knokten om Robbie McEwen na diens val terug voorin te brengen. Met succes trouwens.
Mario rijdt mijns inziens een meer dan knap seizoen. Voor het eerst sinds lang steekt hij weer echt de neus aan het venster. De vechtersmentaliteit is terug, de gebetenheid om te “accrocheren” als het (te) snel bergop gaat. Ook het geloof in eigen kunnen, zijn vroegere gedrevenheid zijn er weer. De liefde voor de stiel, zeg maar. Weinig renners rijden meer wedstrijden dan Mario. Mogelijk rijdt hij dit jaar zelfs de drie grote ronden, naast vroeger al Parijs-Nice, de Ronde van het Baskenland en nog wat slopend wielerwerk. In de Giro mocht hij voor zichzelf rijden, en haast met de moed der wanhoop vocht hij zich binnen de top-20. En laat ons eerlijk zijn, dat was mooi, en ook wel het hoogst haalbare. Tijdens de nu volgende weken wordt het, met de neus in de wind,werken in de schaduw van Cadell. Figuurlijk dan toch. Letterlijk zullen de rollen net omgekeerd zijn, vooral richting zuiden dan. Zelf meegaan in een vroege ontsnapping zit er dit jaar niet in. Cadell zo lang mogelijk bijstaan in diens gooi naar het geel is de enige opdracht.
Ik ben echt wel tevreden. Ik zie wat ik hoopte te zien toen Mario me vorig jaar vroeg om terug samen te werken. En geloof me, er zit nog meer in. Het kopke, daar gaat het om. En dat zit goed. Hij heeft nog wel enkele goede jaren in het verschiet. Zoals ik het vroeger al eens zei: Le nouveau Mario est arrivé.
Ik ben Paul VDB, sinds eigen heugnis trainer van atleten van allerlei pluimage, en met een eigenzinnige kijk op heel de sportwereld in al haar facetten.
In deze weblog komen dan ook heel wat vragen en mogelijke antwoorden aan bod.
Is Sven Nys al aan het trainen? Kan Luc Van Lierde ooit nog de Ironman van Hawaii winnen? Hoe bereidt Marc Herremans zijn volgende exploot voor? Hebben topsportscholen zin? Kunnen wij Belgen nog ooit medailles halen op de Olympische Spelen? Zijn voetballers lui? Gaat er te veel geld om in de sport en verdienen topsporters te veel? Verdienen Ben Berden en andere dopingzondaars nog een tweede kans? Moet een jonge wielrenner op zijn voeding letten? Wat gaat er schuil achter de glamour en de glitter van topatleten? Hoe machtig zijn de sportmedia? Kan topsport zonder doping? Hoe hebben de Canvaslopers de finish bereikt in New York?
Niets blijft onbesproken, geen enkele voorzet die jullie trappen mag doelloos voorbij vliegen.
Dat dus, en nog veel meer, van de man in het veld, in "Achter de schermen".