Wielrennen is een keiharde sport. Ik heb het vandaag nog eens ondervonden tijdens een tochtje van 120 kilometer over de Côte de Wannes, La Redoute, La Reid, Le Rozier, de Côte de Hornay en nog wat hellend fraais. Ik reed met een vriend die net iets beter was, die een groter verzet kon duwen op de hellingen en die vooral wou laten zien dat hij sneller dan ik bergop kon rijden. Ik heb tegengesparteld, zelfs blufpoker gespeeld. Ik heb versneld als er geen versnelling meer in de benen zat, aangeklampd zelfs toen het getal 195 op mijn hartslagmeter verscheen. Ik heb recht op de trappers gelopen als zelfs blijven zitten te veel was. Even werd ik gelost, toen dàt, of mijn longen uitkotsen,nog de enige optie was. Op de laatste klim kreeg ik nieuwe tegenstanders: krampen. Bij aankomst wees mijn tellertje een gemiddelde snelheid van 26.5 km/u aan. Di Luca had 6 u 37 min en 24 sec nodig voor 262 km. Zijn gemiddelde snelheid lag dus net iets onder de 40 km/u. Onwezenlijk. Philippe Gilbert had amper 15 secondjes meer nodig om de volledige afstand vol te maken. Verdomd knap. Zeg dat ik het gezegd heb. Zeg niet dat we geen renners meer hebben die het zware Ardense werk aankunnen. Iemand die dit zegt doet Philippe onrecht aan.
Vrijdag nam ik een snipperdag. Zestig kilometer fietsen in de voormiddag, en ’s namiddags met Mieke rustig rondkuieren in Antwerpen. Wat wil een mens nog meer? Zoals altijd passeerde ik langs de Standaard Boekhandel. Naast het nieuwe boek van Marc Herremans zag ik het boek van wielerverzorger Jef D’Hondt liggen. Aangekondigd als “onthullend”. Ik bladerde erin en mijn oog viel op het ene smeuïge verhaal na het ander. Even twijfelde ik. Toen legde ik het boek terug. Ik keerde mijn rug naar wat – zo vrees ik toch – grotendeels de waarheid is.
Op 9 juni trek ik naar de Mont Ventoux. Om zo snel mogelijk de kale op te fietsen. Om mijn beste tijd van twee jaar geleden te verbeteren. Om een aantal weddingschappen te winnen. Om met mijn fiets, tegen beter weten in, een halt toe te roepen tegen de onstuitbare voortgang der jaren. Het zal pijn doen, zonder twijfel. Bergop rijden is immers – dikwijls vruchteloos – zoeken naar de juiste kadans, naar de juiste houding, naar het juiste verzet en naar een aanvaardbaar ademhalingsritme. Bergop rijden is nu eens rechtstaan, dan weer zitten. Het is hopen dat de weg achter de volgende bocht gaat liggen, vooral genadiger wordt voor de verzuurde spiervezels die op springen staan. Bergop rijden verstrakt de zachtste trekken tot harde grimassen. Bergop is genadeloos. Niet zo voor Ivan Basso. Minder dan een jaar geleden bestormde hij in de Giro haast moeiteloos Italië’s zwaarste cols, dartel en blozend, klaar rondkijkend naar de lijdende concurrentie, zonder mededogen, haast minachtend, denkend aan zijn Micaela die thuis op hem wachtte, en vooral aan Birillo, zijn superenergieke en bloednieuwe hond. Vandaag spartelt Basso in het peloton der gelosten, grauw en uit kadans, nog net voor de grupetto, hopeloos aanklampend, met gekromde rug zoekend naar de energie die hem met één felle lendenruk terug bij de koplopers zou kunnen brengen. Ik vrees echter dat het over is voor Basso, dat hij kan gaan kaart spelen met Jan Ullrich en met Michele Scarponi. Een vierde man zullen ze wel rap vinden. Jörg Jaksche komt me zo voor de geest als een geschikte kandidaat. Als Operacion Puerto echt wordt uitgespit tot op het bot is zelfs een nieuwe kaartclub in de maak. Met tennissers, voetballers, atleten en god weet met wie en wat nog allemaal. Uitmesten die stal. Met de kaarten spelen is ook plezant.
“Krijg ik morgen een rustdag?” Ik wist even niet wat ik hoorde toen Sven Nys me dit gisteren, na een – en dit dient te worden gezegd – pittige training in de Ardennen, vroeg. Even dacht ik dat ik het niet goed had verstaan. “Kan de hypoxietraining van morgen gecancelled worden?” Toen was het duidelijk. Ik droomde niet. Voor het eerst sinds onze samenwerking moest ik de training terug schroeven. Het kan dus. Straf!
Pieter Jacobs tekende in het najaar van 2006 voor ProTourteam Unibet.com. Een mooie deal, zo leek het toen toch. Ondertussen weten we beter. De machtstrijd tussen UCI en ASO zorgt voor een bijzonder onzekere toekomst voor dit aanstormend talent. Trainingsplanning is haast onmogelijk geworden. De dag vóór de Scheldeprijs kreeg Pieter bericht dat hij moest starten, ongeacht de training die hij de dagen voordien had afgewerkt. Vorige vrijdag nog beslisten we om enkele dagen rust in te lassen, om dan volgende vrijdag van start te gaan in de Ronde van Rioja. Op 3 mei zou dan de Ronde van Asturië volgen, gevolgd door een trainingsstage in de omgeving van de Mont Ventoux. Uiteindelijk zou dit dan, na deelname aan de Ronde van België, moeten leiden tot een piek in de vormcurve tegen de Ronde van Zwitserland. Op papier oogde het alleszins mooi. Net (dinsdagvoormiddag) belde Pieter me op. “Ik moet de Waalse Pijl rijden en Rioja gaat niet door” zei hij me. Weg met de planning dus. Probeer zo maar eens een jonge renner te begeleiden. ’t Is om moedeloos van te worden.
Rond 20 u kreeg is gisteravond Mario Aerts aan de lijn. "Meer zat er niet in. Als de echt grote kanonnen doortrekken, dan weet je het wel. Zolang mogelijk "accrocheren" en de schade beperken, meer is op dat ogenblik niet mogelijk. Ik heb echt gedaan wat in mijn mogelijkheden lag" zei hij me. Ik geloof hem. Zijn maximale hartslag bedroeg in volle finale immers 194. Het was dus een eerlijke, maar naar mijn aanvoelen toch een iets te gelaten analyse. Een top-20 in een loodzware wedstrijd is verdienstelijk, misschien zelfs iets meer dan dat. Kijk maar naar de grote namen die net voor en ook nog achter Mario over de finish bolden. Het is een bewijs dat hij de laatste maanden hard gewerkt heeft en dat hij geleefd heeft voor zijn vak. Ik weet echter dat er nog meer inzit. Op training is Mario terug de renner van vijf jaar geleden, in de wedstrijd nog niet helemaal. Mario heeft tijdens de voorbije jaren al te lang achter de feiten aan gereden. De gebetenheid, het killersinstinct, het zelfvertrouwen, het geloof in eigen kunnen is er (nog) niet. En laat het nu net dat zijn wat nodig is om die laatste meters naar de ontketende koplopers te overbruggen, wat nodig is om nog net iets langer die 194 op de display van zijn hartslagmeter te houden. Ik weet zeker dat Mario dit jaar nog zal groeien. Er komen nog heel wat mogelijkheden, te beginnen met de Waalse Pijl volgende woensdag. Ik hoop dat hij ook daar nog eens zijn grenzen verlegt, dat hij accrocheert tot de laatste spiervezel is vol gelopen met melkzuur. Alleen zo kunnen de dagen van weleer terug komen.
In januari waagde ik het om in Sportmagazine (nr 1, 7de jaargang), in de marge van een interview over Sven Nys, de trainingsarbeid in de Belgische voetbalploegen in vraag te stellen. In hetzelfde nummer werd ik al vrolijk gecounterd door Jan Van Winckel, assistent-trainer bij Club Brugge. Voetbal en wielrennen vragen een totaal andere aanpak, orakelde hij snugger. Alsof ik dat niet weet! Ik ben zonder herexamens de kleuterklas doorgekomen.In sommige gevallen waren volgens Van Winckel de resultaten van de fysieke tests van de Brugse spelers “zelfs indrukwekkend en op het niveau van topatleten”. Dat zal dan wel, vooral rekening houdende met de al even indrukwekkende verhalen die de laatste tijd de ronde (blijven) doen over de bijzonder professionele (sic) houding van een aantal sterkhouders van het team. De neerwaartse tendens waarin het Belgisch voetbal zit schreef Van Winckel toe aan de mondialisering. “Daar heeft, om maar een voorbeeld te noemen, het veldrijden minder last van” voegde hij er fijntjes aan toe. Ook dat zal wel, hoewel ik er zeker van ben dat Sven Nys, mocht hij zoals de spelers van Brugge de bloemetjes buiten zetten vlak voor een wedstrijd, ook wel eens last zou kunnen krijgen van die “mondialisitis”.
Tegelijkertijd kreeg professor Hespel (Topsport ABC) verontwaardigde emails – uit eigen huis dan nog – toegestuurd waarin mijn uitspraken getypeerd werden als absoluut niet kunnen. Verder bleek ik het Belgisch voetbal in een verkeerd daglicht te willen stellen. Man, man, man toch!
Ik was dus fout. We zijn nu enkele maanden verder en het is duidelijk dat het goed gaat met het Belgische voetbal, dat mijn kritiek echt niet op zijn plaats was. Iedereen doet verschrikkelijk hard zijn best. Dat het met Club van kwaad naar erger gaat, dat de Belgische clubs er iedere keer opnieuw in de eerste ronde uitgebonjourd worden, dat het nationale team, tot de kansen dan echt zijn uitgeput, keer op keer de wedstrijd van de laatste kans speelt, dat Panama, Angola en godbetert Burkina Fasso hoger scoren op de Fifa-ranking dan onze nationale trots, dat sponsors afhaken, dat de voetbalbond thuisinterlands van de Belgische ploeg niet meer kwijt kan aan de straatstenen…zijn details, verwaarloosbaar in het grotere geheel dat loopt, zelfs sprint op wieltjes. Alleen jammer voor Rene Vandereycken. Zelfs een vakman als hij maakt van ezels geen renpaarden!
Gisteren zag ik op Canvas "Maradona, het goudhaantje", een enig mooie en boeiende reportage over de opgang, de superieure virtuositeit en de val van een uniek voetbalgenie. Het gaf vooral ook een verklaring - geen goedkeuring - voor de haast eenzijdig negatieve berichten die de laatste jaren over het Argentijnse wonderkind verschenen in de pers: maffiatoestanden, drugs, boulemie en al dan niet gedwongen opnamen in ziekenhuizen en afkickcentra allerhande. Geen aardse benen - al zijn ze ook gezegend met een haast goddelijke virtuositeit - zijn sterk genoeg om een dergelijke vedettenverering en-status te dragen. Op het einde van de reportage, toen gefocust werd op de fysieke en psychische aftakeling van het godenkind, werd de sfeer pijnlijker. Ik kreeg meteen ook een beeld van de neerwaartse spiraal waarin Marco Pantani in zijn veel te vroege nadagen was terecht gekomen. Na de uitzending bleef ik even stil en meer dan ooit begreep ik dat (sport)roem een dodelijke sluipmoordenaar is.
Een zestal jaren geleden was ik trainer bij Vlaanderen 2002. Nu is trainer veel gezegd, omdat mijn begeleiding om budgetaire redenen ingeperkt werd van ergens midden november tot einde januari. Mijn dochter naderde toen de twintig en behoorde dus zowat tot dezelfde leeftijdscategorie als het onstuimige allegaartje dat zich klaar probeerde te stomen om het de toenmalige – nog niet gevallen – wielergoden lastig te maken, liever vandaag nog dan morgen.Twee tot drie keer per winter kwamen ze bij mij thuis voor een melkzuurtest. Zoals het een bezorgde papa betaamt zorgde ik ervoor dat mijn dochter net op dat moment op bezoek was bij haar grootouders, haar franse “r” op punt zette in een taalkamp ergens diep in Wallonië of in het uiterste noorden van Holland als jobstudente wat bijverdiende in een industriële tomaatkwekerij. Als ze per toeval dan toch thuis was, dan verduisterde ik de ramen, ik gaf haar een bijzonder straffe slaappil en ik dekte haar dan liefdevol onder met de boodschap dat er voor een opgroeiend meisje niks beter was dan een lange, gezonde nachtrust. Beter voorkomen dan genezen, zei Michelangelo jaren geleden al.
“’t Schijnt dat ge een knappe dochter hebt” zei één van de jonge talenten me op een keer tijdens een test. Verkeerde timing: ik stond net klaar om hem een prikje in de vinger te geven. Het werd een prik. Toch leek hij de boodschap niet goed begrepen te hebben, en ondanks het feit dat het bloed - haast niet te stelpen - uit zijn vinger spoot herhaalde hij zijn zin. Met een agressieve en lang aangehouden druk op de knop joeg ik de weerstand van het rollensysteem waarop hij zijn test uitvoerde met een snok de hoogte in. In enkele seconden tijd vulden zijn beenspieren zich met melkzuur. Met de moed der wanhoop probeerde hij de trappers verder rond te duwen. “Vooraleer je ooit ook maar enige aanspraak op mijn dochter zoudt kunnen maken, moet je hier wel met een gele trui binnen komen, zo eentje met “Credit Lyonnais” op”, beet ik hem toe. “En het moet er dan nog één zijn die je persoonlijk hebt gekregen van de president van Frankrijk.”
Ik ben misschien de enige Belg geweest die ieder jaar opnieuw blij was dat er geen enkele landgenoot in aanmerking kwam voor de Tourzege, nog in de verste verte niet. Nu kan het me niet meer schelen. Mijn dochter is getrouwd met een goeie gast die goed voor haar zorgt. Hij is wel supporter van Anderlecht…
P.S. Gebaseerd op ware feiten. Eventuele overeenkomsten met bestaande personen zijn niet toevallig.
Gisteren ging, in aanwezigheid van heel wat schoon volk, “To Walk Again” in première. Als ik de mensen die de film gezien hebben mag geloven – en waarom zou ik dat niet - dan heeft de man die priester Daens onsterfelijk maakte nog maar eens een meesterwerk afgeleverd. Stijn Coninx heeft erover gewaakt dat het noch een emoverhaal, noch een successtory met irritant loeiende loftrompetten is geworden. Stijn bracht een verhaal over vallen, opstaan en weer verder gaan. Het verhaal van Marc, maar ook dat van Yves en dat van Rom. Het verhaal van doorzetting die diep in ieder van ons sluimert en pas ontbolstert als rechtstaan amper nog mogelijk is. Een verhaal dat inspirerend werkt voor iedereen die het moeilijk heeft, voor iedereen die geconfronteerd wordt met kleine en grote tragedies. Een verhaal dat doet verstillen en nadenken. Een verhaal dat verplichte schoolvoer zou moeten zijn, dat zou moeten getoond worden aan onze jeugd, als het moet gratis. Een verhaal dat volgens Hans Vandeweghe – nochtans kritisch tot in de fijnste vezel van zijn sportgestel - iedereen die met sport te maken heeft moet gezien hebben:
“Herremans verdient een film en een regisseur als Stijn Coninx. Met zijn vijfde plek op de Ironman zou Herremans nooit in het rijtje van de grootheden van de Belgische sport thuishoren en toch verdient hij ook zijn aparte plaats bij Merckx, Roelants, Deburghgraeve, Van de Walle. Niet als rolstoelatleet door die fenomenale overwinningen op Hawaï of op Lanzarote (al was dat ook een strijd tégen die eilanden). Niet vanwege zijn waanzinnige ondernemingen, bijvoorbeeld zich tegen de monoliet El Capitan optrekken. Wel door zijn onverzettelijkheid, zijn wilskracht, zijn intrinsieke motivatie, zijn positivisme. Coaches en trainers móéten hun atleten naar de film van Marc Herremans meenemen. Pijn en vermoeidheid door sport is een voorrecht, zo blijkt.” (De Morgen, 14 april 2007)
Toen ik me gisteren, naast baron Coninx, gedurende 90 minuten liet wegglijden in het verhaal dat me meer vertrouwd is dan de geboortedatum van mijn kinderen, waarin ik nu eens in de marge en dan weer meer prominent een rol vertolk, besefte ik wat een voorrecht het is geweest hieraan te kunnen meewerken, wat een voorrecht het is zo veel nieuwe vrienden te leren kennen, wat een voorrecht het is deel uit te maken van een bijzonder hechte vriendengroep, en wat een voorrecht het is een soms sputterende drive aan te kunnen zwengelen in het zog van Marc.
Ik ben Paul VDB, sinds eigen heugnis trainer van atleten van allerlei pluimage, en met een eigenzinnige kijk op heel de sportwereld in al haar facetten.
In deze weblog komen dan ook heel wat vragen en mogelijke antwoorden aan bod.
Is Sven Nys al aan het trainen? Kan Luc Van Lierde ooit nog de Ironman van Hawaii winnen? Hoe bereidt Marc Herremans zijn volgende exploot voor? Hebben topsportscholen zin? Kunnen wij Belgen nog ooit medailles halen op de Olympische Spelen? Zijn voetballers lui? Gaat er te veel geld om in de sport en verdienen topsporters te veel? Verdienen Ben Berden en andere dopingzondaars nog een tweede kans? Moet een jonge wielrenner op zijn voeding letten? Wat gaat er schuil achter de glamour en de glitter van topatleten? Hoe machtig zijn de sportmedia? Kan topsport zonder doping? Hoe hebben de Canvaslopers de finish bereikt in New York?
Niets blijft onbesproken, geen enkele voorzet die jullie trappen mag doelloos voorbij vliegen.
Dat dus, en nog veel meer, van de man in het veld, in "Achter de schermen".