Gisteren kwam een vriend met vrouw en kinderen op bezoek. Heel sportieve familie. Mijn vriend is triatleet, de kinderen zwemmen en spelen tennis. Zoon J., 11 jaar oud en eerder freel gebouwd, kwam net terug van een trainingskamp zwemmen. Zijn moeder vroeg of 40 (veertig) kilometer zwemmen op zes dagen niet van het goede te veel was? Ik dacht dat ik verkeerd verstaan had. Veertien? Neen, veertig dus. Op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag twee trainingen per dag, op woensdag en zaterdag slechts (?) één. Samen in de baan met en dezelfde training als de zestien- en achtienjarigen. Deze laatsten deden iets meer, maar dan enkel tijdens het uitzwemmen. Bovendien werd er meer dan eens heel pittig (lees intensief) getraind. De trainer bleek gediplomeerd te zijn, een licentiaat lichamelijke opvoeding bovendien.
Ik vraag me af wat de bedoeling kan zijn om een elfjarig kind 40 kilometer te laten zwemmen op zes dagen tijd. Ligt het regionale kampioenschap van Bommerskonten misschien in het verschiet? Of de Grote Prijs van “de Vrolijke Vlinderslagzwemmers”? Of is het de bedoeling om enig potentieel talent naar de haaien te helpen?
Bij een kind van elf moet watergevoel aangekweekt worden, en er moet geschaafd worden aan de techniek, desnoods opnieuw en opnieuw. Met een kind van elf moet voorzichtig omgesprongen worden, en er moet uitsluitend gewerkt worden aan het ontwikkelen van het aërobe uithoudingsvermogen. Zwemmers bereiken hun top doorgaans op een leeftijd, ouder dan 20 jaar. Waarom moet een kind dan al zo veel zwemmen op zo’n jonge leeftijd? Hoe moet dat dan verder? Volgend jaar 50 kilometer, het jaar nadien 60? Neen, het moet helemaal anders. Pas als een kind ouder en sterker wordt mag en moet de training, heel geleidelijk, opgedreven worden. Weerstandstrainingen mogen maar aan bod komen na de puberteit, en alleen dan kan ook met krachttraining begonnen worden. Ik vertel hier niks nieuws. Dit is in enkele zinnen samengevat het ABC van de jeugdtraining. Natuurlijk scoor je dan niet op de jeugdkampioenschappen, en daar wringt het schoentje. Hoewel een aantal trainers ongetwijfeld wèl goed werken, en wèl uitgaan van een visie, vrees dat dit verhaal niet uitzonderlijk is, maar eerder symptomatisch voor hoe er getraind wordt met kinderen. Moeten we nog verder zoeken waarom we een ontwikkelingsland zijn in de zwemwereld?
Frank Vandenbroucke tekende zondag een contract bij het Italiaanse Aqua&Sapone-Caffe Mokambo. Na de zoveelste frats van Frank, de zoveelste laatste kans. Ik hoop dat Palmiro Masciarelli, de ploegmanager, niet denkt dat hij Tom Boonen heeft binnengehaald. Maar goed, wat heet ook laatste, en vooral, wat heet kans? Eerst leek deze nieuwe overeenkomst me enigszins lachwekkend, onbegrijpelijk ook, net zoals het niet te vatten was dat ook Fassa Bortolo en later ook Mr Bookmaker voluit leken te geloven in de comeback van het gevallen godenkind. Toen ik echter verder inging op de motivatie van Masciarelli, kreeg ik sympathie, bijna zelfs begrip voor zijn beslissing. “Frank bekende dat hij domme dingen deed in zijn leven, maar ook dat hij steun nodig heeft als het minder gaat. Is dat zo dwaas misschien? Alle topsporters kennen dat gevoel. Als het goed gaat, staan ze te drummen, maar in minder goede tijden moet je het vaak alleen zien te rooien. Dat was een beetje zijn probleem.” (De Standaard, 30/08/06, pag.28) Of Vandenbroucke te weinig steun heeft gehad als het moeilijk ging, laat ik in het midden. Ik heb de indruk dat zijn manager Paul De Geyter van S.E.M. heel wat heeft gedaan voor Frank.
Maar toch, er zit een grond van waarheid in Masciarelli's stelling. Niets is gemakkelijker voor een coach dan een atleet te begeleiden die van het ene succes naar het andere dartelt, niks is aangenamer dan tot diens entourage te behoren. “WIJ hebben gewonnen!” Wat klinkt dit mooi, hoe gemakkelijk is het ook gezegd? Atleten op de dool daarentegen slorpen energie, soms uit het diepste van je coachvezels. Ze vragen tijd en geduld. Zij worden dikwijls al te vlug gedumpt door een opportunistische coach en entourage, tijdens en na hun carrière. Van ster naar ster-veling. Het zwarte gat, heet dat dan.
Vanuit deze optiek heb ik begrip voor Rudy Pevenage. Onder alle omstandigehden is hij achter zijn poulain Jan Ulrich blijven staan, ook als hij daarvoor enkele jaren geleden zijn bestaanszekerheid bij T-Mobile op het spel moest zetten, zelfs moest opgeven. Hij is ongetwijfeld (veel) te ver gegaan in zijn steun aan, haast liefde voor der Jan. Pevenage maakt nu moeilijke tijden door, en meer dan dat. Ik hoop dat hij, samen met Ulrich, nog zal kunnen terugkomen. Ik vrees er echter voor.
De energie en tijd die ikzelf tijdens het afgelopen jaar in Luc Van Lierde heb gestoken is een veelvoud van de tijd en energie die pakweg Sven Nys van me vraagt. Luc vraagt sleurwerk, daar waar bij Sven een lichte toets volstaat. Over enkele dagen, volgende zondag in Monaco, zal blijken of zijn en mijn energie tot iets hebben geleid. Ik hoop echt dat we niet opnieuw zullen moeten rechtkrabbelen. De Ironman van Hawaii is niet ver meer af…
Van nature uit ben ik niet echt een groot liefhebber van gemotoriseerde sporten, ondanks mijn background als trainer in de motorcross. De stilte van de natuur tijdens een heerlijke ochtendloop verdraagt geen gehuil van motoren. Ik hou ook meer van een slijmproducerende mensenmotor dan van een lekkende benzinetank. Toch zat ik vorige zondag aan het scherm gekluisterd tijdens de uitzending van de Grote Prijs Formule 1 in Turkije. Zappend kwam ik toevallig in de wedstrijd op 11 ronden van het einde. Felipe Massa stevende schijnbaar onbedreigd af op de overwinning. Achter hem was het universum van teammaat Michael Schumacher verengd tot de slipstream van Fernando Alonso’s wagen. In een haast bloedstollend gevecht eiste hij tevergeefs de tweede plaats op. Meer zelfs, het ging eigenlijk om de eerste plaats.Tussen het gehuil van de motoren en het schakelen naar hogere en lagere versnelling meende ik de schietgebedjes van Massa te horen: “Moeder Maria, geef Alonso de kracht om Michael van zich af te houden, help me mijn eerst zege te behalen. Ik wandel jaarlijks te voet naar Santiago de Compostella, en veel verder als het moet. Moeder Maria…”. Massa wist perfect wat de Ferrari-teamorders zouden zijn als Schumacher erin zou slagen Alonso voorbij te rijden. Schumacher faalde, Massa won. Even konden we meegenieten van zijn euforisch geroep door zijn micro die verbonden was met de paddock van zijn team. Ik verstond er niets van, tenzij minstens driemaal “Thank you”. Met die twee woorden maakte Massa aan iedereen die afgestemd had op deze uitzending duidelijk dat enkel teamwork deze overwinning mogelijk had gemaakt. Massa was een belangrijke, maar misschien niet de belangrijkste schakel in de weg naar deze overwinning. Zo, en niet anders is het ook in andere sporten. Kim Gevaert zou nooit Europees kampioene geworden zijn zonder een team rond haar dat ze haast blindelings vertrouwt. Stefan Everts is al van op zeer jonge leeftijd veruit de best omringde motorcrosser geweest. Marc Herremans beseft maar al te goed dat, naast zijn bijna fenomenaal doorzettingsvermogen en mentale kracht, een aantal mensen rondom hem onmisbaar zijn. Rond Luc Van Lierde is een team gebouwd. Enkel daardoor is hij terug in staat om opnieuw te trainen zoals het hoort. Zo zijn er hopen voorbeelden. Het zijn ook vooral de grootste kampioenen die dit beseffen.
Nooit lees ik nog een krant terwijl ik koffie drink. De gevolgen kunnen immers haast desastreus zijn. Daarnet nog. Ik verslikte me letterlijk, en het eerste wat ik nodig had was een schotelvod.
Met dank aan François Colin van De Standaard/Het Nieuwsblad. Ik citeer even uit zijn column “Spits”: “In het Italiaanse scheidsrechtersschandaal staat niet alleen de toekomst van Juventus op het spel, maar de geloofwaardigheid van heel het land. (…) Het voetbal is ontzettend belangrijk geworden voor het beeld dat van een land bestaat. Daar moeten vooral politici zich van bewust zijn.(…)” Wablieft? Is het imago van België, en bij uitbreiding van iedere Belg, dus ook van mezelf, in het buitenland in handen van de ploegen die Europees Spelen? In handen van Ferera, Vercauteren, Dury, en godbetert van Boskamp? Van een provinciale trainer die onmiddellijk de pedalen verliest als hij eens buiten de landsgrenzen mag gaan voetballen, zij het dan nog in Cyprus? Wordt dat imago bepaald door het feit of Thomas Buffel al dan niet een balletje tegen de netten kan trappen, of door het feit dat Rene Vandereycken al dan niet Olivier Deschacht opstelt in het nationale team? Zijn wij voor dat imago afhankelijk geworden van belachelijke uitspraken en beslissingen van pakweg de heer Vaessen en co? Van het gesjoemel van Paul Put met één of andere obscure Chinees? Van het wanbeheer van zoveel eigengereide voetbalbesturen die vooral puin en schulden achterlaten? Waar kan ik me laten naturaliseren tot Fransman? Of Duitser, of Braziliaan? Hou toch op. Dergelijke prietpraat gaat er niet toe bijdragen dat voetbal wordt terug gebracht tot zijn juiste proporties: soms een mooie sport, waarvoor techniek, uithouding, snelheid en tactisch inzicht vereist is. Soms een mooie sport die, zoals iedere andere sport, emoties oproept, die mensen gelukkig en ongelukkig kan maken. Soms een sport die het slechtste in de mens bovenhaalt, en een spoor van vernieling achterlaat in stadions en omgeving. Soms een sport die te veel eer doet aan overroepen pseudovedetten. Maar dat is het dan ook. Stop dus die overshooting.
O ja, tussen al die kletskoek vond ik, ergens verloren aan de zijkant van een blad vijftig woorden (drie lijnen op een A4-blad) terug over een echte sportman. Kenny Belaey, een bescheiden en hardwerkende gast, een acrobaat op de fiets, werd in Nieuw-Zeeland nog maar eens wereldkampioen in zijn discipline: fietstrial. Wie Kenny al eens aan het werk gezien heeft weet wat dit betekent. Wie Kenny als een aan het werk gezien heeft weet ook dat geen 5 % van de Belgische voetballers als sportman aan de hielen van Kenny komen. Proficiat Kenny !!! Misschien dat sommigen ginder, Down Under, moeten gedacht hebben: toch knappe gasten, die Belgen. Wie weet.
Ik ga nog eens schrijven over iets waarover ik niet mag schrijven. Maar ik ga zeker niet meer info verklappen dan je ook al kunt vinden op de weblog van Canvasloper en radiopresentator Koen Fillet. Ik blijf dus in een veilige zone, ver weg van schadeclaims en banbliksems die oppergod Jan Vanderstraeten voor mij in petto heeft als ik mijn soms te grote mond voorbijpraat.
Negen maanden geleden ben ik ingegaan op de vraag om zes fysieke underlevels (één van hen op de foto links boven) above the level te krijgen, meer bepaald aan de start van de marathon van New York. In eerste instantie dacht ik dat mijn bijdrage zich zou beperken tot het aanschaffen van startnummers en het boeken van vliegtuigtickets en hotelvouchers. Fout, ik moest hen zodanig leren lopen dat ze ook nog eens de finish zouden kunnen halen. Gekkenwerk, dacht ik toen. Maar goed, iets of wat coach gaat zo’n uitdaging niet uit de weg.
We zijn nu aanbeland op 10 weken van de startdag, nog 70 dagen scheiden ons van D-day. Gisteren voerde ik een lactaattest uit. Een zoveelste stap om de training te “finetunen”. Voor de ene was deze test al wat geruststellender dan voor de andere. Maar toch, ondanks alle informatie weet ik na negen maanden maar één ding, namelijk dat ik nog niks weet. Ik weet niet wie blessurevrij aan de start gaat komen, ik weet nog minder wie de finish zal halen. Worden het er zes, vijf of maar ééntje? Of zal ik daar misschien moederziel alleen staan? Zal ik zelf, onvoldoende getraind, de meubels moeten redden? Zeg het me, en ik ben je eeuwig dankbaar.
Gisteren kregen we de gelegenheid om de eerste drie afleveringen eens te bekijken. Misschien zie ik het als betrokkene te veel door een gekleurde bril, maar ik vond het in ieder geval bijzonder goed meevallen. Sfeervol, dynamisch, boeiend en leerrijk voor iedere jogger die ambities heeft om zijn grenzen te verleggen van Athene tot Marathon. En vooral met bijzonder veel respect voor de deelnemers. Kijken, vanaf 15 oktober, zes weken lang op Canvas.
In mijn blog “Ramp” van 17 augustus zei ik dat het voor een coach zeer moeilijk werken was met atleten die zichzelf te hoog inschatten. Echt belachelijk wordt het soms wel wanneer een trainer compleet irreëele verwachtingen heeft, en nadien afgaat als een lekke gieter. Trainer Geeraerd van Roeselare noemde woensdag de spelers van Ethnikos Achnas, het plaatselijke voetbalclubje van een dorpje met 3000 inwoners ergens ten velde in Cyprus, een stelletje pottenstampers. Hiermee maakte hij het de coach van Achnas wel heel gemakkelijk. Ik heb zo’n flauw vermoeden hoe diens peptalk zal geklonken hebben. Heel lang is dat gesprekje zeker niet geweest. Hoe zou “pottenstamper” klinken in het Grieks (of is het Turks?). Nu, Geeraerd zal het geweten hebben. Voor amper 2000 toeschouwers kreeg zijn team een droge 5 – 0 pandoering aangesmeerd. Na de match maakte Geeraerd de grap helemaal compleet door ook dan nog bij zijn standpunt te blijven.
Ik zie verder ook dat men zich in voetballand blijft bezondigen aan hoge verwachtingen. De beloftenploeg kon vorig jaar de kwalificatie voor de Europese eindronde niet meer missen. Kazachstan zou voor de nationale ploeg een meepakkertje worden die hen onmiddellijk op kruissnelheid zou brengen richting Europees kampioenschap. De feiten hebben deze verwachtingen inmiddels in een juist perspectief geplaatst. Anderlecht haalde tijdens de afgelopen 9 (negen)Europese C.L. wedstrijden geen enkel punt. En tòch heerst er na de loting voor de eerste ronde van deze Champions League een licht euforische stemming. Mogen we weten op basis waarvan de praesis van Anderlecht zijn ploeg hoger inschat dan Lille of AEK Athene? Drie goals slikken op het veld van Westerlo belooft echt niks goeds op Europees vlak. Wedden dat in Lille en Athene de opluchting groot moet zijn met Anderlecht in hun poule? Maar goed, het is nu aan Frankie Vercauteren om het Europese tij bij Anderlecht te keren. Het zou in ieder geval mooi zijn voor een ploeg met een dergelijk glorieus verleden. Het lijkt me echter logischer mocht Anderlecht zich nederig terugtrekken in een underdogpositie.
Daar tegenover weet ik ook wel dat een coach hoge verwachtingen moet durven stellen, liefst tegen de limiet van wat realistisch mogelijk moet zijn. Rudi Diels had gelijk toen hij stelde dat twee Europese titels tot de mogelijkheden van Kim Gevaert behoorden. Deze ambities waren zeer goed onderbouwd op basis van een perfect inzicht in de mogelijkheden van Kim én van de tegenstand. Gisteren maakte ik met Luc Van Lierde een inschatting van wat voor hem mogelijk zou kunnen zijn in de Half Ironman van Monaco van volgende week zondag. Luc had net 125 kilometer gefietst op het parcours. Hij fietste met een gemiddelde van 27.5 km/u en hij overbrugde tijdens die rit een hoogteverschil van 2400 meter. Hij voelde zich niet fris, de benen waren loom. Logisch, tijdens de voorbije acht dagen fietste hij 475 km, vooral op een bergachtig wegen. Daarnaast zwom hij nog 18 km en liep hij er 60.
Elementen die langdurig in overweging werden genomen zijn: Luc’s huidig prestatiepotentieel, zijn evaluatie van het fietsparcours, de tijden die vorig jaar in Monaco werden gerealiseerd en de deelnemerslijst. Mijn conclusie is dat een top-5 zeker tot de mogelijkheden moet behoren. Maar eerst moet hij dit nog bewijzen, en pas dan kunnen we echt beginnen praten over zijn mogelijkheden om in Hawaii te presteren. Stap voor stap. Het is soms wroeten in een verhaal van vallen en opstaan.
Een goede coach haalt het maximum uit de mogelijkheden van zijn atleten/ploeg. Hij haalt er meer uit dan dan men dacht dat erin zat. Daarom is de beste coach niet altijd diegene die wint. Jan Ceulemans kon opkrassen toen hij nog riant uitzicht had op een top-drie plaats met Club Brugge, Franky Dury werd met een zesde plaats van Zulte Waregem de hemel in geprezen. Goede coaching steunt op vakkennis én op een goede communicatie. Dury kan het uitleggen, Ceulemans is een zwijgzame, ietwat introverte Kempenzoon die liefst van al met zijn hond langs de Nete wandelt, of zich ophoudt met mensen die veel verstaan met weinig woorden. Als coach heb ik soms zelfs de indruk dat praten met je atleten, ook over andere zaken dan het trainingsschema, dikwijls veel belangrijker is dan het uitkienen van het schema zelf. Door een goede communicatie breng je evenwicht in het leven van je atleet, neem je twijfels weg, doe je een atleet geloven in eigen kunnen, kan je hem boven zichzelf doen uitgroeien.
Johan Boskamp zal het ondertussen ook wel begrepen hebben. Een fransonkundige Nederlander die terecht komt in een hoofdzakelijk nederlandsonkundig bestuur dat, ondanks het aantrekken van Michel Preud’homme, maar niet verlost geraakt van een wespenneststatuut en een zweem van intriges als een vervelende lichaamsgeur met zich meedraagt, dat is om problemen vragen. Als je dan nog je tactische inzichten moet wijs maken aan een groep die bestaat uit 5 Portugezen, 2 Brazilianen, 2 Senegalezen, 1 Fransman, 3 Kroaten, 1 Oekraïner, 1 Serviër, 1 Amerikaan en nog wat Belgen waarvan er een aantal de taal van Gezelle niet verstaan, dan is de rekening rap gemaakt. Eén op negen in de competitie en een kortstondig gesnuif aan de vetpot van de Champions League. Als ik Boskamp was zou ik mijn communicatie vooral onderhouden met mijn manager. Het wordt immers tijd dat die begint uit te zien naar andere oorden. Boskamp’s zwerftocht is nog lang niet voorbij.
In Knack (nr. 33, pag. 19) las ik bij een interview met Michiel Debackere, dopingbestrijder op rust, het volgende: “Stan Huygelen, een wetenschapper en vriend van me, lag mee aan de basis van het Salk-vaccin, dat kinderverlamming bestrijdt. Hij heeft miljoenen kinderlevens helpen sparen en handicaps helpen voorkomen. Hebt u ooit gehoord dat hij gehuldigd werd? Wat een schril contrast met veel van die sportvedetten, die zònder enige tegenprestaties miljoenen euro’s opstrijken.”
Dergelijke uitspraken doen een mens op zijn minst even nadenken. Is de idolatrie van sportvedetten terecht, of loopt ze de spuigaten uit? Uiteraard kunnen vragen gesteld worden bij de soms astronomische bedragen die betaald worden aan sportlui. Persoonlijk heb ik er geen enkele moeite mee voor zover deze bedragen economisch verantwoord zijn. Ik vermoed zo dat de publicitaire return van Tom Boonen nog altijd een veelvoud is van het bedrag dat hem jaarlijks wordt betaald door zijn team. Tot zover geen probleem. Erger is het wanneer, zoals gangbaar is in het voetbal, en dan nog meestal aan pseudovedetten, bedragen worden uitgekeerd die absoluut niet in overeenstemming zijn met de inkomsten van de club en die de schuldenberg alleen maar groter maken.
Uit eigen ervaring weet ik ook dat de verheerlijking van sportvedetten af en toe moet gerelativeerd worden.
Toen ik, jaren geleden, als trainer, optrok met Eric Geboers, was het rond zijn mobilhome altijd een drukte van jewelste. Supporters verdrongen elkaar om toch maar een glimp van “the Kid” op te vangen. Op een keer zag ik enkele meters verder Georges Jobé zitten, toen gewezen drievoudig wereldkampioen, maar ondertussen fel weggedeemsterd na enkele mindere jaren. Hij zat op een vouwstoeltje, schijnbaar emotieloos en helemaal alleen, de drukte rond Eric te observeren. Hij ondervond toen aan den lijve de keerzijde van de medaille. “Het blijft niet duren, Eric” moet hij toen zeker gedacht hebben. De jaren hebben hem gelijk gegeven. Op het wereldkampioenschap veldrijden, enkele jaren geleden in Pontchateau, zag ik dan weer Berten Van Damme, de Leeuw van Laarne, zitten. Hij was toch de man die jarenlang haast heroïsche duels had uitgevochten met Eric de Vlaeminck. Hij zat daar, op een stuk krant, haast achteloos rondom zich kijkend. Niemand scheen Berten nog te kennen, en dit in zijn eigen sportbiotoop. Dit zijn maar enkele voorbeelden uit de zovele. Sportroem is vluchtig, vergankelijk, en jammer genoeg heel dikwijls (te) zwaar om dragen. Of wat moeten we anders denken van Pantani, Maradonna en dichter bij huis de gevallen engel Frank Vandenbroucke? Ook dit zijn maar enkele voorbeelden. Zielig wordt het zelfs wanneer ex-vedetten zich soms clownesk of aanstellerig gaan gedragen om hun tanende status hoog te houden.
De meeste sporters kiezen trouwens niet voor deze verheerlijking. Meestal is het iets dat hen overkomt, iets dat ze er noodgedwongen moeten bijnemen. Achter de facade van afgod schuilt in vele gevallen een heel gewoon iemand. Dikwijls ook een kwetsbaar iemand, vol twijfels en onzekerheden, iemand die soms vruchteloos probeert om te gaan met de druk van de glorie. Ik heb ooit gewerkt met een groot kampioen. ’s Avonds, na een overwinning en bijhorende viering was hij misschien wel de eenzaamste mens die ik kende, en hij besefte dat meer dan wie ook. Nu ik er verder over nadenk, ik ben nog nooit jaloers geweest, op welke vedette dan ook.
Het dopingverhaal blijft de gemoederen beroeren. Liegt Landis of schreeuwt hij terecht zijn onschuld uit? Heeft Jones echt gesjoemeld met epo? Zijn de dopingtests betrouwbaar genoeg? Zijn er überhaupt nog zuivere topprestaties mogelijk?
Ik zit er een beetje middenin. Ik werk al jaren met topatleten, en het is niet onlogisch dat ook over mijn atleten vragen worden gesteld in verband met hun clean imago. Het zal er wel bijhoren, zeker? Een vraag die ook meermaals terugkomt, is of ik kan zien of een atleet sjoemelt, zonder dat hij positief is bevonden bij een dopingcontrole. Nu, echt weten kan je het niet, vermoeden wel. Wanneer? Als bij een volwassen atleet de oren, neus, kin en voeten nog groeien op volwassen leeftijd (het vergelijken van foto’s zou wel eens flagrante zaken aan het licht kunnen brengen). Omdat de normale groei stopt rond 18-20 jaar. Als een atleet plots spectaculaire progressie begint te maken. Omdat ik als trainer weet hoe moeilijk het is, en hoe hard er moet gewerkt worden om op een normale manier een procentje winst te maken. Als een atleet met geen poot vooruit komt, en dan plots, van week op week, zelfs van dag op dag, een glansprestatie neerzet. Omdat ik als trainer weet hoe moeilijk het is en hoe lang het kan duren om een atleet vanuit een dip er terug bovenop te krijgen. Als een atleet een opgeblazen gezicht vertoont en zijn/haar ogen Aziatische trekken beginnen te vertonen. Omdat ik weet dat dit kan wijzen op het gebruik van corticosteroïden. Als een atleet erin slaagt om op zeer korte tijd spectaculair te vermageren, zonder prestatieverlies. Omdat ik weet dat normaal vermageren zonder prestatieverlies alleen mogelijk op een heel geleidelijke en uitgekiende manier. Ik vermoed hier dan sterk het gebruik van groeihormoon. Als een atleet, na jaren training, plots van fysionomie verandert en en op korte tijd abnormaal veel spiermassa bijwint. Omdat winst in spiermassa een kwestie is van maanden, zelfs jaren intensieve powertraining. Ik vermoed dan het gebruik van anabole steroïden en groeihormoon. Als een sporter op het einde van een loodzware bergrit waar hij heeft moeten knokken om zijn klassement te behouden blozend en fris ogend afstapt, zonder merkbare verhoging van het ademhalingsritme. Omdat ik er vanuit ga dat die dan toch minstens enige tijd uitgeteld zou moeten zijn. Ik vermoed dan het gebruik van epo of bloeddoping. Als ik weet heb van een plotse stijging van het hematocrietgehalte bij een atleet na periode van zware trainingsarbeid of in wedstrijdperiode. Omdat ik weet dat zware lichaamsinspanningen het aantal rode bloedcellen doet afnemen. Als ik weet heb van sporen van inspuitingen op de buik of op de armen. Omdat ik weet dat epo subcutaan in de buik wordt ingespoten of rechtstreeks in de ader. Als ik weet dat atleten zich voortdurend ophouden in gezelschap van personen die gekend staan als dopingleveranciers. Omdat ik weet dat de gelegenheid de dief maakt. Als ik zie dat atleten tijdens een al te korte periode heel de tegenstand op een hoopje fietsen of lopen, en dan weer zonder aanwijsbare reden wegzinken naar een middelmatig niveau of zelfs helemaal verdwijnen. Omdat ik weet dat talent, gekoppeld aan een juiste en normale trainingsopbouw garant staat voor een langdurige en evenwichtige carrière. Als…
Het blijven echter vermoedens die niet altijd stroken met de werkelijkheid. En daarom moet je dikwijls zwijgen, zelfs als je zoudt willen spreken.
Maar is het echt belangrijk? Ondanks Landis, Basso, Ullrich en co was er gisteren in Balen, in de gietende regen, 25.000 man opgedaagd om Tom Boonen, en met hem een heel wielerpeloton, een meer dan feestelijke ontvangst te bezorgen. Ondanks Jones en Gatlin zullen vrijdagavond 45.000 atletiekliefhebbers present tekenen op de Memorial Van Damme. En weet je? Ze hebben dik gelijk. Het zal weer een avond worden om duimen en vingers van af te likken.
Sven Nys ging tijdens de voorbije winter van start in 48 veldritten. Daarvan won hij er 28. Zijn laatste cross reed hij op het einde van de maand februari, en minder dan drie maanden later was hij al terug klaar om tijdens de Ronde van België een meer dan gave prestatie af te leveren. Hij reed nadien nog het Circuito Montanes, een behoorlijk zware Spaanse rittenwedstrijd, en nog een aantal wegwedstrijden. “En passant” won hij nog een mountainbikewedstrijd in Ronse, en werd hij tweede op het Belgisch kampioenschap in deze discipline. Morgen gaat Sven van start in een Franse rittenwedstrijd, nadien rijdt hij de Grote Prijs Rik Van Steenbergen en de wereldbekerwedstrijd mountainbike in Oostenrijk. Zes dagen later begint hij dan aan een nieuwe serie van ongeveer 40 veldritten, minder dan vorig jaar omwille van zijn Olympische ambities.
Zijn trainingsschema van de voorbije week?
• Maandag:
Bostraining, zeer intensief. Gemiddelde hartslag 150, maximale hartslag 190
Wegtraining. 3 u souplesse
Dinsdag: Looptraining: 64 min, gemiddelde hartslag 122
Wegtraining: 2u 47 min, souplesse. Gemiddelde hartslag 123
• Woensdag: Wegtraining: 138 km, gemiddelde snelheid 33.6 km/u, gemiddelde hartslag 121
• Donderdag:
Looptraining: 50 min loslopen, gemiddelde hartslag 106
• Vrijdag: Krachttraining op rollen: 60 min, gemiddelde hartslag 131, maximale hartslag 167
Wegtraining: 90 km achter de moto, gemiddelde snelheid 40.9 km/u, gemiddelde hartslag 136, maximale hartslag 176
• Zaterdag:
Wegtraining: 162 km, gemiddelde snelheid 33.7 km/u, gemiddelde hartslag 131
• Zondag:
Looptraining: 60 min zeer rustig
Wegtraining: 60 min losfietsen.
Wordt er dan nooit een rustperiode ingelast? Niet echt, afgezien van een viertal weken na het veldritseizoen. In april wordt er stevig getraind, met o.a. dan al specifieke bostrainingen. Pas na het Europese kampioenschap mountainbike op het einde van de maand juli heeft Sven een week relatieve rust genomen, hoewel hij moeilijk in te tomen was.
Is dit allemaal te veel? Dat zal pas blijken tijdens het komende veldritseizoen. Als ik de tegenstand was zou ik er toch niet al te gerust op zijn.
Geldt een dergelijke opbouw als HET voorbeeld? Neen. Slechts weinige renners kunnen dit aan. Sven kan dit, omdat hij het geniet van elke meter die hij traint, omdat hij een onwaarschijnlijk recuperatievermogen heeft, omdat hij leeft zoals een profsporter moet leven, omdat hij geen onnozelteiten moet verkopen voor een camera.
Hij kan dit misschien vooral omdat hij mentale rust heeft, omdat hij in evenwicht is met zijn familie en heel zijn entourage, omdat hij gelooft in zijn trainer en trainingsschema’s. Hij laat zich niet (meer) uit zijn lood slaan. De week na zijn gemist wereldkampioenschap was hij meer gebeten dan ooit om terug te slaan, ondanks zijn letsel. Het geflopte Europese kampioenschap mountainbike deed echt niks af van zijn gretigheid om te trainen. Zijn er nu nog mensen die menen dat Sven mentaal kwetsbaar is?
Ik ben Paul VDB, sinds eigen heugnis trainer van atleten van allerlei pluimage, en met een eigenzinnige kijk op heel de sportwereld in al haar facetten.
In deze weblog komen dan ook heel wat vragen en mogelijke antwoorden aan bod.
Is Sven Nys al aan het trainen? Kan Luc Van Lierde ooit nog de Ironman van Hawaii winnen? Hoe bereidt Marc Herremans zijn volgende exploot voor? Hebben topsportscholen zin? Kunnen wij Belgen nog ooit medailles halen op de Olympische Spelen? Zijn voetballers lui? Gaat er te veel geld om in de sport en verdienen topsporters te veel? Verdienen Ben Berden en andere dopingzondaars nog een tweede kans? Moet een jonge wielrenner op zijn voeding letten? Wat gaat er schuil achter de glamour en de glitter van topatleten? Hoe machtig zijn de sportmedia? Kan topsport zonder doping? Hoe hebben de Canvaslopers de finish bereikt in New York?
Niets blijft onbesproken, geen enkele voorzet die jullie trappen mag doelloos voorbij vliegen.
Dat dus, en nog veel meer, van de man in het veld, in "Achter de schermen".